Het zachte, roze monster.

Rosie belde aan bij het volgende huis. De vers gevallen sneeuw priemde door haar stoffen schoenen en haar voeten voelden koud aan. Ze verlangde ernaar om meer van het huis te bezitten dan enkel een vluchtige blik in de gang wanneer de deur op een kier zou worden gezet.

Ze wou binnengelaten worden. Ze zou heel stil en lief zijn. Ze wou zelfs op de gang blijven zitten, op een houten trap, misschien, en kijken naar ingekaderde familiefoto’s op de muur. Dat zou al prachtig zijn. Ze zou zich voor even deel voelen van iets. Al was het maar van het interieur.

Maar tot nu toe had niemand toegehapt. Ze spraken zelfs niet tegen haar. Deuren werden in haar gezicht dichtgegooid, of heel twijfelend gesloten, maar altijd bleef ze buiten staan. Het lag misschien aan haar sneeuwwitte haren, haar puntige oren, haar donkere ogen. Ze leek in de verste verte niet op de monsters in de huizen.

Sommige monsters waren best lief, en knuffelig. Ze hadden lange, zachte haren of bolle buiken. Hun tanden waren mooi gepoetst. Maar andere monsters hadden schubben en scherpe klauwen, gemene blikken en vreemde kapsels, gemaakt van stro of iets wat erop leek. Rosie wist wel dat zij de enige was die dat kon zien. Ze had als elfenkind een speciale gave. De monsters zagen elkaar als mensen, maar zij zag de gedaante van hun ziel.

Haar moeder had Rosie nog zo gesmeekt om niet naar de stad te trekken, om niet te proberen om op een speciale avond als Kerstmis bij de monsters aan te bellen. Niemand zou haar binnenlaten, uit angst voor wat ze zou zien. De pijn, onzekerheid, angst en woede hadden vele zielen aangetast, en Rosie, zo puur als de waarheid, zou een bedreiging vormen voor de lelijkste monsters van allemaal.

Maar Rosie had niet geluisterd. Ze wou niet meer denken in wij en zij. Zij was een elfenkind, maar elk monster was ook een kind, een mensenkind. En sommige monsters, de hele lieve, leken zelfs niet op monsters. Meer op een gezellig huisdier, of een beschermengel. Monsters was eigenlijk een vreselijk woord.

Maar toch. Toch had elk lief monster dat ze was tegengekomen ook de deur toegedaan. Rosie begreep er niks van. Was iedereen dan echt zo bang?

De deur van het huis ging langzaam open. Rosie glimlachte opgelucht toen ze een oude vrouw zag. Ze kneep haar ogen tot spleetjes, en zag zo het monstergedaante dat de ziel van het oude besje aannam. Ze was een klein monster, met vier grappige armen en maar één, groot oog, temidden van een roze vacht.

“Dag kleintje,” zei het roze monster, en ze bukte zich om Rosie beter te kunnen zien.

“Dag mevrouw. Ik zoek een huis om vanavond in te slapen,” zei Rosie, klein maar dapper.

“Wacht even,” zei het roze monster. Ze draaide aan een apparaatje in haar oren. “Zo, nu kan ik je beter horen.” Ze bukte zich en strekte haar hand uit. “Kom maar.”

Verbaasd en ontroerd tegelijk, kroop Rosie op de hand van het monster. De vacht kriebelde aan haar beentjes.

“Je bent maar een speldenknop groot,” zei het monster, die vertederd keek naar het elfje in haar hand, dat maar zo groot was als een vingernagel. “Hoe ben jij bij de bel geraakt?”

Rosie spreidde haar vleugels trots uit.

“Ach zo,” zei het roze monster. “Je hebt wel heel koud.”

Met haar overige drie handen maakte ze een beschermend huisje voor Rosie en nam haar mee naar binnen. Rosie kreeg er tranen van in haar donkere ogen.

“Waarom huil je?” vroeg het roze monster.

“U bent de eerste die mij wil binnenlaten.”

“Ooh kindje,” giechelde het monster. “Ik denk dat ik de enige ben die je kon zien.” Ze wees naar haar grote oog. “Niet iedereen heeft zo’n sterke blik als ik.”

“Maar… Maar ik heb ze zo gesmeekt,” Rosie piepte met haar hoofdje tussen twee vingers uit.

“Ik denk niet dat ze je konden horen,” troostte het monster haar. “Met mijn hoorapparaat lukt dat wel.”

Rosie rimpelde haar neus, helemaal verbaasd. Had niemand haar gezien? Gehoord?

“De mensen kijken niet meer om zich heen, ze vrezen alleen maar voor wie of wat er voor hun deur komt te staan,” zei het roze monster. “Dat mag je niet persoonlijk nemen.”

“Ik zie hen wel. Zoals ze zijn. Ik dacht… Ik dacht dat ze me daarom niet wilden kennen.”

“Dat kan best,” zei het monster. “Misschien willen de meesten wel helemaal niemand meer kennen, of zien, of horen. Het leven doet rare dingen met de mensen.”

Toen Rosie het woord ‘mensen’ hoorde, veranderde het roze monster opnieuw in de oude vrouw. Ook zonder haar roze vacht zag ze er lief en zacht uit.

“Kunnen we er iets aan doen?” vroeg Rosie, en ze geeuwde.

De oude vrouw nam haar mee naar de woonkamer, waar een haardvuur brandde, en liet haar in een luciferdoosje glijden.

“Dat vertel ik je morgen wel,” zei ze, en ze zette het luciferdoosje op de schouw, zodat Rosie het lekker warm kreeg. “Ga jij maar eerst wat slapen. Zelfs elfjes kunnen de wereld niet redden wanneer ze uitgeput zijn.”

Rosie liet zich wat dieper in het doosje glijden en keek hoe de oude vrouw in de zetel ging zitten. Ze kon niet wachten om haar moeder te vertellen over het lieve, roze monster, en over al de dingen die ze van haar nog zou leren. Het was gek, ondenkbaar bijna, dat Rosies doorzettingsvermogen had geleid tot een hele nieuwe kijk op de wereld. Misschien waren alle monsters ooit wel roze en zacht geweest.

Rosie legde haar vleugels af en viel in een heerlijke slaap, en de oude vrouw zorgde ervoor dat het haardvuur de hele nacht lekker warm bleef branden.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s