Het meisje dat bovenop de wereldbol slaapt.

Er was eens een heel groot meisje. Ze werd tussen de sterren geboren. Zonder naam of zonder doel. Ze leek wel op slag tien jaar oud. Alsof ze nooit een baby was geweest. Tien jaar van gemis. Waar was mama nu? Wat betekende dat, een papa?

Ze liet zich langs de hemellichamen glijden, vroeg hen waar ze naartoe moest gaan. De grote, kleurrijke bollen schudden langzaam met hun atmosfeer en konden geen antwoord geven. Er was er maar eentje die haar durfde vertellen dat mama en papa ooit zonnen waren geweest, maar toen zij geboren werd, werden ze opgeslokt door een zwart gat en daar konden ze nooit meer uit opklimmen. Het meisje huilde toen. Want ze begreep dat ook die tien eerste jaren van haar leven in het zwarte gat waren meegesleurd.

Het hemellichaam dat zo eerlijk tegen haar was geweest, buigde zijn neon ringen om haar heen en zo begreep ze voor het eerst in haar leven wat het betekende om geknuffeld te worden. De planeet wees naar een groenblauw lichtpuntje in de verte. “Misschien kan je daarheen gaan,” zei hij zacht. “Daar wonen vele eenzame mensen. Ze lijken een beetje op jou.” Het meisje kneep haar ogen tot spleetjes en zag voor het eerst wat haar thuis zou kunnen zijn.

En dus zette het meisje koers naar planeet Aarde. En hoe dichter ze kwam, hoe meer ze van zijn bewoners ging gaan houden. Er waren er zoveel! En ze leken zo op haar. Eenmaal aangekomen liet ze zich vermoeid op de poolkappen zakken, om daar voor even in slaap te vallen. Toen viel voor het eerst de nacht over de aarde en konden vele mensen samen met haar voor het eerst de ogen sluiten. Wanneer het meisje wakker werd, besloot ze het mooie moment “ochtend” te noemen. Ze kamde haar blonde haren en door de schemering van de zonnestralen op haar lokken zagen de mensen gouden schitteringen in de lucht verschijnen. Ze noemden het mooi en het meisje was nog nooit zo bewonderd geweest. Het meisje observeerde de mensen en leerde dat ook zij diep ongelukkig konden zijn, net als haar. Om hen te troosten, huilde ze soms mee, zodat haar tranen de wereldbol terug konden opfrissen. Ze blies haar adem uit in figuurtjes, die de mensen vol bewondering “wolken” gingen gaan noemen. Ze keken steeds meer op naar haar, naar de lucht en wat die te vertellen had. Het meisje besloot haar eigen hemellichaam te boetseren, zodat de mensen altijd zouden weten dat ze er was, zelfs wanneer ze sliep. En zo ontstond de maan, haar mooiste creatie tot dustoe. 

De zon die rond de aarde zweefde, kon er alleen maar om glimlachen. Ooh, hij had de ouders van het meisje nog gekend. Wat waren ze mooi geweest. Maar zelfs de krachtigste zonnen moesten soms afscheid nemen van het leven. Maar niet zij. Niet het meisje. Zij was zon en maan en hemellichaam en mens en universum in één.

Wanneer het verschil tussen dag en nacht niet meer duidelijk lijkt, en je je tranen niet meer van de regen kan onderscheiden, denk dan aan het meisje dat bovenop de wereldbol slaapt. Zij is alles en toch is ze ook niets. Zo gaat dat in het leven, zo gaat dat in de natuur. Weet dat het zwarte gat altijd lonkt, maar dat je ook de blik richting de maan kan richten. Zo zal je onthouden hoe mooi alles is. Hoe mooi jij bent. En zelfs wanneer je in het zwarte gat verdwijnt, er zal altijd een deeltje van jezelf overleven, net als het meisje. En dat deel zal met haar licht nieuwe oorden opzoeken, en zwart zal nooit meer zo zwart zijn.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s