Toen brak Papa’s hart in twee

Mijn papa is bang van vliegen. Ik ben bang van verre reizen. Mijn papa vertrouwt het allemaal niet zo goed. Dan heb ik het over het leven. Ik sta in papa’s schaduw en knik. Ik vertrouw het ook niet, papa. Want jij kijkt niet eens naar het kleine meisje dat achter je staat. Je wil het gevaar zien komen, kijkt steeds rechts voor je, blijft lopen. Terwijl ik eigenlijk heel graag even stil wil staan. En jouw blik wil vangen.

Nu ik groter ben, heb ik geleerd om op je schouder te tikken. Papa, even stilstaan. En wanneer hij dat doet, lijkt hij verbaasd over het spoor dat hij achterliet, over de zon die nog steeds op zijn achterhoofd valt, en de bloemen die hij langs de kant van de weg vertrappelde, maar die nog steeds hun kleuren dragen.

Soms lijkt het zelfs, alsof hij even terug wil gaan. Wanneer hij een versleten maar onaangeroerde schommel in de verte ziet staan. Eentje waarop hij me nooit heeft geduwd. Wanneer hij probeert te begrijpen wat dat wil zeggen, een klein meisje zijn zonder papa in de buurt. Wanneer hij die papa was en hij diep in z’n hart maar niet kan snappen waarom hij niet meeging naar de speeltuin en niet elke dag belde om te vragen hoe het ging.

Papa’s zijn ooit ook klein geweest. De mijne is het misschien altijd gebleven. Dat kan soms gebeuren wanneer je een ziekte genaamd Pijn hebt. Pijn houdt ons klein. Bang. Schuw voor de wereld. Pijn zorgt ervoor dat we niet kunnen groeien, ook al is er plots iemand in ons leven die tien keer zo klein blijkt te zijn als wij.

Mijn papa was altijd al dat jongetje van vijf met de veel oudere broers en zussen, het geliefde achterkomertje van zijn mama maar wel diegene die het traagste kon rennen naar huis en dus geen boterham meer kon bemachtigen. De wereld was groot en hoog en gevaarlijk en hij was klein en soms verlegen, met een hartje dat eigenlijk alleen maar bij anderen wou zijn.

Dus Papa leerde om op stelten te lopen. Hij leerde streng kijken, zodat hij serieus genomen werd. Hij durfde al wel eens discussiëren, al was het hem alleen maar te doen om het laten gelden van zijn luide stem. Toen ik kwam, probeerde ik soms op de stelten te kruipen, maar Papa ontsnapte dan even richting de wolken en ging onbereikbaar tussen de sterrenhemel slapen. Hij was er even niet meer. Ik ging dan maar naar bed, keek naar de sterren buiten en beeldde me in dat ik met hem kon praten.

Wanneer ik ’s morgens opstond, waren de sterren verdwenen en liep Papa alweer op zijn stelten rond en vroeg ik me af waar ik een ladder kon vinden. Eentje om ook hogerop te raken. Toen dat niets bleek te worden, werd ik heel boos. Op Papa, maar ook op de sterren. Ik vertrouwde de nacht en de wereld niet meer. En zo werd ik ook bang, net als Papa, en liep ik steeds in de grote slagschaduw die zijn stelten wierpen op de grond.

Maar ik bleef steeds naar de sterren hunkeren. Die plaats waar papa steeds naartoe ontsnapte. Ergens tussen de pijn en wie hij was. Ik ging in therapie en schreef brieven en maakte me kwaad en nam dan weer even geen contact. Ik ging dromen van brandstapels vol stelten en vallende sterren en Papa die me meenam op reis, want als hij niet meer bang was, dan hoefde ik dat ook niet meer te zijn.

En toen plots stond Papa stil. Hij keek voorzichtig om, voeten op de grond, stelten even langs de kant van de weg. Daar stond ik, met mijn kleine kinderhartje dat zoveel actie had ondernomen. En hij zag me, voelde me, begreep me. Toen brak Papa’s hart in twee. En het mijne ook. De zon verblindde hem en ik leerde hem om zijn hand boven zijn ogen te houden en zo naar het verleden te kijken. Hij was dapper genoeg om dat te doen en huilde.

Toen staken we samen de stelten in brand. De assen vielen op onze haren en gezichten en handen en het werd even moeilijk om te ademen. Maar toen nam Papa me op en hees me in zijn nek en liepen we samen stevig vooruit, weg van de brandstapel en de pijn.

Papa had me plots groter gemaakt, hij leek nu wel mijn paar stelten te zijn. Nu ik zo dicht bij zijn oren zat, vertelde ik hem over mijn dromen. Hij bleef tot mijn verbazing stevig doorwandelen en knikte alleen maar. Luisterde alleen maar. En dat was alles wat ik wou.

Ik viel in slaap in de kromming van zijn nek en werd wakker onder een sterrenhemel, met Papa dicht bij mij. Terwijl hij sliep, keek ik omhoog en wou ik iets zeggen. Maar dan glimlachte ik en keek ik omlaag. “Ik zie u graag, Papa,” zei ik, deze keer niet tegen de sterren maar tegen hem zelf. En hij glimlachte, ergens tussen slaap en liefde, omdat ik denk dat hij al z’n hele leven had gewacht op die ene zin.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s