Honderddertig gram.

Twee handen zochten elkaar onder tafel. Hij was rond de zeventig, zij kwam even achterop. Dat uitte zich ook in hun spreken. Zijn stem liet klanken rollen die zij dan beantwoorde met een knikje of een glimlach. Ik keek neer in mijn onaangeroerde bord spaghetti. Liefde betekende misschien dat comfortabele van het loslaten. Het tevreden zijn met het volgen van een koploper. Het glimlachen wanneer iemand dat nodig heeft. De koploper die altijd achterom keek en toch vooruit leek te gaan.

Ik nam het lepeltje dat naast het potje kaas stond en schepte nog wat extra schaafsels over mijn pasta. Die lag al rijkelijk bestrooid met het gele goedje, maar voor mij kon het nooit genoeg zijn. Dat was in het leven ook zo.

Wanneer leerden we het af om alles te willen? Ik wilde het allemaal. De onzekerheid die de tabasco aan mijn wachtende smaakpapillen bood. De plakkerige kaas die zich met mijn verhemelte versmolt en me deed denken aan de spaghettizondagen bij mijn opa. De blikken van de ober die zich afvroeg of ik net was gedumpt door mijn vriendje of gewoon last had van tranende ogen door een allergie. Ik wou mijn hand ook onder de tafel laten glijden en de welving van een knie omsluiten met mijn vingertoppen. Ik wou gewoon even kunnen lunchen zonder aan Adam te denken. Ik wou niet aan hem denken. Maar ik deed het wel.

De oudere man lachte om iets wat zijn vrouw hem toefluisterde. Ze keken vervolgens allebei richting het dienstertje die een paar hapjes van een half-opgegeten ijsje in haar mond propte voor ze met het schaaltje in de achterkeuken verdween. Ik vroeg me af of ze ook het lepeltje van de betalende klant gebruikte, of toch zo slim was geweest om een vers lepeltje uit haar short te toveren. Zou ze vergeten zijn hoe de lippen van een ander smaakten en in pure wanhoop overgeschakeld zijn op het eten van zaken die toch dicht in de buurt van een kus kwamen? Pistache-ijs lijkt me een ideale smaak voor een man.

Adam had ook iets nootachtig in zijn kus. Alsof hij een geheim was van de natuur. Iets tussen man en natuurkracht. Een godverdomse boom vol verboden vruchten.

Ik propte mijn vork in het voluptueuze boord voor me en draaide het in rondjes. Spaghetti was zo’n gerecht dat aan niemand verraadde hoeveel je er nu eigenlijk van had gegeten. Het leek me een veilige keuze, voor iemand die wil doen alsof alles prima met haar gaat maar eigenlijk geen hap door haar keel kon krijgen.

Adam noemde me altijd dik. Misschien ben ik rond de tijd dat we samen sliepen wel extra op mijn gewicht gaan letten. De eerste keer dat hij de spiegel naast mijn bed bedekte met een vers gewassen laken kon ik er nog om lachen. Ik dacht dat hij een portret van mij zou schilderen op een geïmproviseerd doek. Voor een student kunstgeschiedenis was dat nog niet zo’n gek idee. Maar hij zei dat hij zichzelf liever niet weerspiegeld zag terwijl hij me vasthield tussen de lakens. Ik vroeg hem waarom niet, de spiegel toonde toch niks meer of minder dan de realiteit? Hij zei dat het niet zo hard opviel dat ik veel te veel kilo’s om m’n buik en billen had hangen wanneer hij me van dichtbij zag, maar vanop een paar meter afstand was dat toch meteen een ander verhaal. Ik geloof dat het maar enkele weken duurde voor hij de spiegel vervangen had door een weegschaal en een gigantische voorraad vooroordelen.

Het dienstertje was intussen weer in het restaurant verschenen. Ze keek azend naar de tafels waar servetten werden neergelegd en heimelijk broeksriemen werden losgemaakt. Werken in een etenszaak en honger hebben, het had iets pijnlijk ironisch. Net als samen zijn met iemand die niet weet wat dat nu juist betekent, graag zien.

Het koppel met de handen onder tafel keek verwachtingsvol naar een ober die aan kwam draven met hun voorgerecht – carpaccio op een bedje van, tja, nog meer carpaccio, veronderstel ik. Ze losten elkaars handen en wreven ongeduldig hun verfromfraaide broeken glad. Het zou onbeleefd geweest zijn om al met de handen naar hun mes en vork gegrepen te hebben. Hij zei “smakelijk” en zij glimlachte, zoals ze altijd deed. Hij nam een eerste hap en zij vroeg of het lekker was, voor ze zelf proefde. Perfect op elkaar ingespeeld. De hardloper en de coach.

Ik keek op m’n horloge. Geen idee waarom ik zo’n ding droeg. Waarschijnlijk omdat ik zo iets om handen had op de bus, of in de wachtrij aan de kassa van de winkel, of tijdens het veinzen van een lunch in een restaurant waar mijn ex nu elke woensdag komt eten met zijn nieuwe verovering. Ik had een slaatje moeten nemen, verdomme. Of nee. Nee. Ik wou tonen dat ik nu een onafhankelijke, zelfzekere, iets vollere vrouw was, die met smaak van een spaghetti met extra kaas kon eten zonder een zier te geven om zijn inmiddels irrelevante mening.

Dienstertje had juist een derde van een steak met peperroomsaus weten te scoren toen Adam binnenkwam. Hij hield de hand vast van een meisje in een roze jurkje en dubbel zo zwaar als ik. Ik nam een hap spaghetti (mijn eerste) om te verstoppen dat ik even niet meer kon ademhalen. Het voelde alsof ik tabasco in de plaats van zuurstof inademde. De verwondering brandde in m’n longen.

Toen hij bij me wegging zei hij dat hij van me walgde. Dat hij het niet langer kon, samen zijn met iemand die haar eigen lichaam zo vernielde. Ik was die week zo’n honderddertig gram bijgekomen en dat had hij gezien op de weegschaal. Honderddertig gram schuldgevoel en nood aan het stoppen van zijn rechtspreken. Er was niets rechtvaardig geweest aan zijn oordeel. Binnen de twee uur had hij al z’n spullen genomen en was hij vertrokken. Ik had hem nooit meer gezien maar hij was altijd bij me gebleven.

Het meisje met het roze jurkje kreeg een menukaart van de ober in haar handen gepropt, maar legde die automatisch op de tafel neer. Ik hoorde Adam twee dingen voorstellen – een soepje of een slaatje – en slikte beslist mijn hap spaghetti door. Wat was ik blij dat ik geen slaatje genomen had. En ook wel dat hij me nog niet had gezien.

Het was zo ongelooflijk routineus van mezelf geweest om hem nog eens te willen zien. Het geloven dat je nooit meer zou liefhebben en vanuit dat geloof terugkeren naar het valse voorwendsel van wat liefde echt was. Het terugkeren naar start. Ik keek naar het oudere koppel dat stilzwijgend de olijfolie aan elkaar doorgaf en met elkaar leek te praten via hun ogen, alleen maar omdat hun monden nu drukbezet waren. Zij gingen beslist door tot de finish.

Dienstertje verscheen en ik wenkte haar, wees naar mijn spaghetti. Ik had plots geen trek meer, vertelde ik haar. Kon ze de rekening brengen? Het meisje knikte gretig, met een blik die liefdevol elke sliert van de spaghetti in zich opnam. Ze nam het bord in haar handen. Ik vroeg haar juist nog om een dessertje. Een dame blanche, met extra slagroom. Maar die mocht ze aan het meisje met het roze jurkje geven, alsjeblieft.

De man van het oudere koppel liet zijn hand over zijn maag glijden. Zijn gezichtsuitdrukking verraadde buikpijn. De vrouw wist hem handig af te leiden door haar mes en vork neer te leggen en een verhaal te vertellen over de nieuwe boot van de zoon van de buurman. Ze liet bijna ongezien een pijnstiller in het waterglas van de man vallen, die het al even onopmerkzaam opdronk. Hij knikte en glimlachte. De coach en de hardloper waren van positie veranderd. Ik denk dat het toen was dat er echt tranen over mijn gezicht gingen rollen. Liefde was, stilstaan en vooruit kijken tegelijk. Soms voorgaan en soms volgen. Het wisselen van positie maar steeds hetzelfde parcours blijven volgen.

Ik nam een achtergebleven broodje uit het broodmandje op tafel en beet er gretig in terwijl ik m’n jas aantrok. Ik zag hoe Dienstertje met een ietwat rode mond een grote ijsschaal voor het meisje met het roze jurkje neerplantte.

Ik denk dat Adam me toen voor het eerst zag. Ik weet het niet precies, want ik keek niet naar hem. Ik liep naar de deur en keek naar het meisje in het roze jurkje en de vragende blik op haar gezicht. Ik hoorde Adam roepen naar me, mijn naam, een verwijt en een beschuldiging over een domme grap. Ik keek niet meer om.

Toen ik buiten was keek ik naar het oude koppel door het raam. Zij keken richting Adam en trokken een oog naar elkaar. Op de achtergrond zag ik Dienstertje met het ijsje wegdraven, tevreden met een onaangeroerd dessert. Ik dacht, wat jammer voor dat meisje die nu bij Adam zat. Ze had het niet begrepen. Zij was mij, maar dan met een jaar vertraging op levenswijsheid. Maar ze zou het ooit nog wel begrijpen. Dat hoopte ik tenminste, terwijl ik een hotdog kocht aan de overkant van de straat en plannen maakte om een nieuwe spiegel te gaan kopen.

Ik moet zeggen, hij staat hier goed.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s