Honingzoet.

Ik was zeventien en liet me naar buiten leiden door enkele vriendinnen. Het was de laatste avond van onze schoolreis naar Italië en ik was hopeloos verliefd, met de nadruk op hopeloos. De jongen had halflange haren, kleine maar diepe ogen en een boomlang gestalte.

Mijn vriendinnen lieten me achter onder het houten afdakje van onze berghut, giechelend, gespannen en hoofdschuddend tegelijk. Ze zouden hem naar buiten sturen, de jongen die binnen op het slotfeestje naar de populaire meisjes stond te gluren, en zij tussen het dansen door ook naar hem. Ze zouden hem zeggen dat ik hem moest spreken. Dringend. Alsof mijn leven er vanaf hing. Toen wist ik nog niet wat die zin betekende.

Ik liet mijn lage hakjes over de besneeuwde kiezelsteentjes schrapen. Ik droeg een topje in min drie graden maar ik rilde niet. Mijn hart was vergeten dat er zoiets bestond als het koud hebben. Ik wou dat ik me nu nog steeds kon kleden in diezelfde naïviteit.

Het duurde langer dan het opstaan in het midden van de nacht om te gaan plassen, of het kopen van een treinticket wanneer je heel erg gehaast bent. Zo van die vervelende dingen. Wachten op iemand van wie je houdt, dat lijkt altijd een eeuwigheid te duren.

Ik hoorde scharnieren piepen, een vage bas, een houten deur die dicht werd gegooid en het knisperend geluid van laarzen op sneeuw. Laarzen, hij droeg leren laarzen. God, wat was ik verliefd. Ik vergat te ademen, want voor eventjes verscheen er geen mistwolkje voor m’n gezicht telkens ik uitademde. Pas wanneer hij om de hoek draaide, met een glimlach die medelijden verraadde, herinnerde ik me dat overleven op liefde nog niemand was gelukt, zelfs de grootste dichters en schilders niet. Ik zoog de koude lucht naar binnen, die werd vermengd met zijn warme adem die tussen z’n lippen door glipte toen hij zei: “hey, ’t is koud, hé.”

Ik dacht, ooh ja? Ik dacht, niets van gemerkt. Ik dacht, ik hou van u.

“Ik wil u iets zeggen,” probeerde ik en kruiste mijn armen voor mijn boezem, gewoon om mijn hart te tonen dat ik dichtbij was.

Hij liet z’n hoofd wat opzij zakken, z’n handen in z’n broekzakken en zijn ogen gericht op iets wat er nooit zou zijn. “Ja?” vroeg hij. Ik kon wel gillen, omdat ik hem hier voor mij alleen had. Al was het maar voor een paar seconden, de paar seconden voor hij mijn hart zou breken. Die had ik dan toch gehad, zonder de populaire meisjes, of vooroordeel.

“Ik denk dat ik verliefd op u ben,” het was een stille maar duidelijke zin. Ik hoorde de deur in de verte een paar keer open en dicht gaan. Vanbinnen gebeurde net hetzelfde met mijn hart. Hij knikte, alsof hij het al wist, wat ik bijzonder vond. Ik was dan toch niet zo onzichtbaar voor hem geweest als ik dacht. “Da’s lief. Echt waar.” Z’n stem klonk anders dan normaal. Honingzoet.

Mijn ogen zochten naar iets in zijn ogen dat ik niet leek te vinden. Toen begreep ik een beetje wat dat betekende, verloren zijn, terwijl je nog steeds op dezelfde plaats staat als voordien. Hij haalde een hand uit z’n broekzak, wreef even langs z’n kin. Ik beeldde me in dat de huid ruw aanvoelde. Hij had hier en daar al een paar trotse baardharen staan. Ik wou dat ik die huid kon aanraken, dat ik kon begrijpen wat dat betekende, een man.

“Ik vind je tof, maar niet meer,” zei hij en ik knipperde naarstig met mijn ogen, alsof ik niet begreep wat hij zei. Ik dacht, hoe kan dit nu, in de films gaat het anders, toch op het einde. “Snap je?” vroeg hij toen hij mijn verwarde gezicht zag. Ik knikte maar ik meende het niet. Ik dacht toen nog dat je met twee moest zijn om verliefd te worden.

Ik legde een hand in m’n nek, die plots stijf en pijnlijk aanvoelde. Hij glimlachte weer dat lachje vol sorry’s, en ging toen met zijn grote hand door mijn haar. “Gaat het een beetje?” Wat vond ik hem ongelooflijk lief, toen. Gemeen maar lief. Zo dichtbij zou hij nooit meer komen. Ik knikte maar wat, want met woorden zou ik niet kunnen liegen.

Ik merkte dat ik kippenvel kreeg. Ik dacht eerst dat het door z’n aanraking kwam, maar het was eigenlijk de kilte van de buitenlucht die ik plots heel duidelijk leek te voelen. Ik dacht, heb ik m’n haar wel goed gewassen deze morgen? Hij trok z’n hand alleszins niet meteen terug, dus misschien vond hij het wel zacht, aangenaam. Hij had m’n haren voor altijd mogen strelen, maar ja. Hij vond me tof. Niet meer.

“Kom je mee naar binnen?” vroeg hij en stopte zijn hand weer in z’n zak. Ik begon te klappertanden, en ook te snotteren. Dat laatste was niet van de kou. Ik voelde me zo klein, in m’n keurig gestreken rokje, veel te diep uitgesneden topje en bijpassende ontblote hart. Liefde doet pijn, dacht ik toen, en toch wil ik niet dat het overgaat.

We liepen samen naar binnen, zagen dat één van jongens stiekem een biertje van een leerkracht had gestolen en dat snel de kring rondgaf. M’n vriendinnen schaarden zich enthousiast om me heen. Wat was er gebeurd? Hoe voelde ik me? Was het nu “aan”? Ik zei niets, maar zette het flesje bier aan m’n lippen en dronk het volledig leeg. M’n vriendinnen wisselden blikken met elkaar en lieten toen hun handen één voor één over mijn rug glijden. Liefde is getroost worden, nog iets dat ik die avond leerde.

Ergens leerde ik het af, ongegeneerd toegeven dat ik iemand graag zie. Misschien was het wel die avond, omdat het koud was, of ik te jong was, of hij zijn hand niet lang genoeg door m’n haren had laten gaan. Misschien was het later, toen ik opnieuw het deksel op m’n neus kreeg. Ergens leerde ik te zwijgen. Mijn hart werd doofstom.

Maar nu ik terugdenk aan die avond, kan ik alleen maar glimlachen. Het deed pijn maar het was echt. In die luttele minuut dat hij voor me stond, ook al was ik voor hem maar een doodgewoon meisje uit zijn klas, had hij wel naar me geluisterd. Hij had me niet uitgelachen, althans niet in mijn gezicht. Hij had me niet weggestuurd, uitgespuwd of me van de berg af geduwd. Hij had z’n hand door m’n haren laten gaan. Voor even was hij er helemaal voor me geweest, al kon dat niet op de manier dat ik gehoopt had.

Ik ben z’n naam vergeten. Verliefdheid onthoudt alleen details, niet de grote lijnen. De vorm van z’n vingers, de hoek waarin hij zijn hoofd boog, de verontschuldiging in z’n ogen. Nu ik eraan terugdenk, heeft mijn hart zin om weer te spreken. Ik denk dat het dankjewel wil zeggen. Misschien is dat wel de eerste stap naar het terugvinden van iets dat ik even kwijt leek te zijn.

Dus. Dankjewel, jongen met de halflange haren, de kleine ogen en het grote hart.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s