Tranen op ribfluweel.

Het was zondag. Haar hoofd in z’n schoot. Tranen op ribfluweel. Het zachte lijden tastbaarder dan ooit.

“Maar ik hou van je,” ze zei het maar één keer, maar wel alsof het de laatste woorden waren die ze ooit zou spreken.

Zijn hand streelde haar haren zacht naar achteren. Hij kon de gebroken haarwortels bijna voelen loskomen. Alles was kapot, alles was gebroken. Dat had ze net nog gezegd. Maar zolang hij haar lichaam opving met het zijne, dan kwam alles misschien nog goed.

Hij liet z’n hand op haar gloeiende hoofd rusten terwijl z’n duim kleine cirkeltjes tekende op haar voorhoofd.

“Maar ik niet van jou,” hij fluisterde het niet, of liet geen aarzeling doorschemeren in z’n stem. Hij zei het vastberaden, maar zacht, alsof de naakte waarheid niet haar einde hoefde te zijn.

De tranen gingen rustig liggen op haar wangen, berustend in het moment. Ze keek op naar z’n gezicht en zag dat hij glimlachte. Brede lijnen over z’n hele gezicht.

Met gebalde vuisten wilde ze de glimlach te lijf gaan, maar zijn vingers omsloten haar trillende polsen zorgvuldig, zodat ze hem niet kon aanraken. Ze probeerde zich los te wrikken, maar had zo weinig energie over dat ze al snel tegen z’n borst aanviel. Ook de tranen wilden liever slapen gaan.

“Het heeft geen zin,” fluisterde hij in haar oor, “Met de waarheid valt niet te vechten.”

Een deur opende. Haar wimpers zweefden op en neer. Ze richtte zich op, wreef de duisternis uit haar ogen. Daar stond hij, en hij was niet langer hier, in haar armen, maar hij stond daar maar, in de deuropening.

“Droom je weer?” glimlachte hij terwijl hij z’n hemd uitspeelde. Ze keek zoekend naar z’n gezicht, alsof ze naar de vervlogen waarheid zocht.

“Je houdt niet van me,” ze zuchtte diep, de lucht sneed onverbiddelijk langs haar tong.

Hij schudde zacht het hoofd: “Dat mag je niet zeggen.”

Ze wachtte geduldig op z’n uitgestrekte hand, die haar na een paar seconden ingehouden stilte over de wang streek. De vingertoppen voelden bekend, maar niet aanwezig. Ze beefden ook een beetje, alsof z’n lichaam bang was van hetgene waartoe het tot in staat kon zijn.

Hij drukte een kus op haar voorhoofd, maar verloor langzaamaan zijn evenwicht. De geur van urenlang tooghangen prikkelde haar neus. Hij wankelde en liet zich bovenop haar vallen. Z’n borsthaar kriebelde haar schuchtere borstkas en ze hapte naar adem.

Met al haar macht duwde ze hem van zich af en sprong op. Hij graaide verbaasd naar haar arm en hield haar pols vast: “Waar ga je heen?”

“Ik wil niet meer vechten,” zei ze snel terwijl ze diep in- en uitademde.

“Ik ook niet, liefje. Kom toch hier,” hij liet haar pols wat los en streelde haar blik met tederheid. Ze kon zich losmaken en nam een paar passen achteruit.

“Nee. Ik wil dat iemand van me houdt,” ze greep de deurklink vast. “Ik wil dat je van me houdt.”

Hij deed een poging om rechtop te gaan zitten en schudde vermoeid het hoofd: “Moet dit nu?”

Ze fronste en liet haar tong over haar droge lippen glijden. Dan zoog ze op haar onderlip en bezwoor de tranen die slaapwandelden in de hoeken van haar ogen.

Ze schudde haar hoofd. Nee, het moet niet. Het moest niet meer. Ze opende de deur, terwijl z’n verwijtende woorden over haar heen walsten. Maar ze probeerde zich te concentreren op het licht op de gang – daar moest ze heen. Niet meer vechten. Niet meer vragen om liefde. Ze greep naar z’n kamerjas die over een stoel hing en sloeg het om haar naakte lichaam. Tranen op ribfluweel.

Hij probeerde op te staan, maar ze stond aan de andere kant van de deur nog voor hij z’n twee voeten op de grond had kunnen zetten. Ze wreef de haren uit haar gezicht terwijl ze de trap afliep, voelde hoe elke pijnscheut die ze ooit had gevoeld in dit huis haar nog een laatste stroomstoot gaven.

Maar ze slaagde erin om naar buiten te lopen, in de auto te springen en zichzelf aan te kijken in de autospiegel. Ze glimlachte naar zichzelf. Hij zou nooit meer van de trap raken in deze beschonken toestand, dus ze voelde zich veilig.

Ze startte de auto en reed richting haar appartement met de ramen naar beneden. Om de haverklap keek ze naar zichzelf in de zijspiegel. Ze had het gedaan. Ze had het eindelijk gedaan. Ze was weggegaan. Niet meer vechten, nooit meer vechten.

En de tranen vielen, maar ze voelden nu als fluweel. “Ik hou van je,” zei ze tegen zichzelf.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s