Poëtisch lijden.

Er doet een gerucht de ronde.

Op de één of andere manier duik je steeds weer op in ieders verhaal. Alsof je de hoofdrol wil spelen in het leven van iedereen die je pad kruist.

Ze zeggen dat je niet meer slaapt.

Het lijkt me niet meteen iets voor jou. De geheimen van rode wijn en slaappillen zijn je niet onbekend. Ik hoor de stemmen in de gangen fluisteren en zeg niks als ik ze passeer. Maar in m’n gedachten voer ik een drukke dialoog met mezelf. Als je niet slaapt, is dat alleen maar omdat je dat zelf zo wil. Ik prijs mezelf voor m’n verfijnde inzicht in jou en ik glimlach terug naar mezelf. Volgens mij voer ik een monoloog met een schizofreen kantje. Maar het doet er niet toe. Ze zeggen dat je niet meer slaapt en ik vraag me af, komt het door de pijn?

Niemand weet hoe jouw pijn voelt.

Dat zou ware kennis zijn. Wanneer we elkaars gevoelens door één simpele oogopslag of aanraking aan elkaar zouden kunnen doorgeven. Woorden zouden overbodig worden. Leugens zouden een eenzame dood sterven. De waarheid zou dan misschien eindelijk zijn. Ik vertel mezelf dat ik wel weet wat je voelt. Het is oneerlijk tegenover jou. Ik leg bezit op wat niet van mij is. Maar jij legt ook bezit op wat wel van mij is.

Het is exact drieëndertig avonden geleden dat je de deur voor me sloot.

Letterlijk. Je gooide hem niet toe, of liet hem niet langzaam dichtvallen. Je sloot hem gewoon, je gezicht afgewend en je wazige lichaam statig en vastbesloten. Het waren de tranen die je zo onduidelijk maakten, of misschien was het mijn ongeloof. Ik word niet elke dag uit m’n eigen appartement gegooid. Al had ik het kunnen weten. Je legde schaamteloos beslag op m’n hart, waarom dan niet op m’n thuis?

Ik weigerde m’n sleutel te gebruiken om binnen te dringen.

Thuiskomen zonder te weten wat thuis betekent leek me te gevaarlijk. En het ging me deze keer niet om de ruimte, of om het adres. Het ging me over je ogen, waarin ik mezelf altijd had teruggevonden. Een thuis in een levend wezen. Maar wat als ik niets meer zou vinden in die ogen? Waar moest ik dan heen?

Maar er doet een gerucht de ronde.

Je slaapt niet meer. Ik hang elke dag rond in het appartementsgebouw. Postbus vijf keer checken. Auto in en uit de garage rijden. Een nietsbetekenende babbel met de poetsvrouw die er nu een tweede hernia bijheeft.

Je slaapt niet meer en ik weet waarom.

Je kon me gewoon gebeld hebben. Of één van onze vrienden ingeschakeld hebben als tussenpersoon. Of één van de gordijnen kon je geopend hebben, en ik zou het geweten hebben. Maar zo zijn we niet. Niets is makkelijk in onze wereld. Wij houden van ingewikkeld. Wij zijn een kluwen van poëtisch lijden.

Je zei me ooit dat je nooit de slaap kon vatten wanneer je me miste.

Die nachten overvielen je soms. Er waren andere waar je perfect insliep, nachten die je liever alleen doorbracht. Er waren ook de urenlange sluimeringen die we samen doorbrachten. Dan kon je me niet missen, want ik was jou en jij was mij. Je had er iets op gevonden, alcohol en voorschriften, maar het liefst van al kwam je me opeisen in het midden van de nacht. Je verdreef het gemis. De slapeloosheid.

Nu slaap je niet meer. Omdat je dat niet wil. Omdat je me mist. Omdat je me wil.

Er doet een gerucht de ronde. De waarheid verschuilt zich vandaag niet meer.

Nu ik trillend voor m’n eigen voordeur sta, vraag ik me af of het lang zal duren. Ik kijk naar het oogje in de deur en stel me voor dat je aan de andere kant staat en naar me kijkt.

En dan maakt de deur een klikje. Ik ken je beter dan wie dan ook.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s