De plaats waar sneeuwmannen heen gaan wanneer het geen winter meer is.

Anna’s gerimpelde vinger bleef secondelang op de lichtschakelaar drukken, maar de donkerte van de kamer bleef rond haar schouders gedrapeerd. Mocht het nu nog warm zijn geweest, dan had ze het niet erg gevonden. Maar kil én donker, dat was iets teveel van het goede.

“Sakkerdepitjes.”

Ze bracht de vinger naar de brug van haar bril om het ding wat steviger op haar neus te schuiven. Alsof dat zou helpen tegen de nachtblindheid. Ze wist wel dat het niets zou uithalen, maar dat vond ze niet erg. Soms zorgden oude gewoontes voor troost in plaats van voor oplossingen. En dat was net goed zo.

Sneeuwvlok keek nog even naar de deur die net voor hem was gesloten. Hij begreep het wel dat de feestvierders hem er liever niet bij hadden, maar daarom deed het niet minder pijn. Een sneeuwman hield het niet lang uit in warme huizen, dat wist hij wel. Toch zou hij liever één nacht wegsmelten in gezelschap dan de hele winter eenzaam in de kou te moeten blijven staan.

Hij had al aan meer dan twintig huizen aangebeld, maar tot nu toe had hij bot gevangen. Soms werd hem zelfs geen blik gegund, en bleef de deur gewoon gesloten. Hij vond het onbeleefd, zeker op een avond als deze, waarop het samenzijn werd gevierd. Mochten de mensen hun vooroordelen over sneeuwmannen maar eens aan de kant durven schuiven. Want als het vanavond niet kon, wanneer dan wel?

Met een klein ijspegeltje aan het uiteinde van zijn wortelneus hopte hij verder naar de volgende deur. Nog ééntje zou hij er proberen, en mocht het ook deze keer niet lukken, dan zou hij tussen de platanen op het plein gaan staan, zoals hij elk jaar uiteindelijk op Kerstavond deed. Soms passeerden er ’s avonds laat nog enkele feestvierders, op weg naar huis of genietend van een stille wandeling na al het gekwetter en getetter aan de rijkelijk gevulde tafels. Soms namen ze dan foto’s van en met hem, magisch maar stil tussen het mooie decor. Het was een magere troost, maar toch iets om zich aan vast te klampen. Dat had iedereen nodig op zo’n momenten. Want na al die jaren had niemand hem ooit binnengelaten.

Het glas in Anna’s hand voelde alsof het een verlengde van haar lichaam was. Ze hadden dezelfde temperatuur, en het voelde alsof er whisky door haar aderen stroomde in plaats van bloed. Met de stijve vingers van haar andere hand opende ze de deur waarop net iemand had geklopt.

Haar dikke brilglazen vulden zich met het beeld van een sneeuwman, net iets groter dan haar gekromde gestalte. Hij had ijspegeltjes aan z’n ogen hangen, of misschien waren het wimpers. Ook aan zijn grote neus hing er één. Hij glimlachte breed met een mond van rozijntjes. Haar hart maakte allerlei vreemde sprongetjes, en ze vroeg zich af of het door de alcohol of door haar onverwachte gast kwam.

“Wil je die niet opeten?” vroeg de oude vrouw aan de deur. Ze wees naar de rozijnen die Sneeuwvlok z’n mond vormden.

Hij moest erom lachen, en de rozijnen schoten omhoog in een fijne krul op zijn gezicht. Een stem had hij niet, dus schudde hij zijn hoofd. Met één van de takjes die zijn vingers vormden, schreef hij op zijn borst van sneeuw. Er stond: “Geen honger. Wel eenzaam.”

De vrouw knikte, en in die ene, kleine beweging lag meer genegenheid dan hij elders ooit had gevoeld.

“Eenzaam zijn doe je beter met twee,” zei ze.

Daar moest Sneeuwvlok even over nadenken. Het was niet één van de standaard opmerkingen of afwijzingen die hij normaal gezien kreeg.

Maar nadenken werd moeilijk toen de oude vrouw opzij stapte en naar binnen wees.

“Wil je binnenkomen?”

Anna stak haar glas uit naar de sneeuwman terwijl hij de ijspegel van zijn neus brak. Hij verdeelde die nog eens in drie en strooide het ijs dan voorzichtig in haar glas. Anna glimlachte dankbaar, zette haar glas neer na een grote teug en knoopte de oude sjaal van Charles rond de koude nek van de sneeuwman.

“Mijn Charles had het ook altijd koud,” zei ze erbij. “Daarom stond de verwarming hier altijd zo hoog. Maar sinds hij er niet meer is, kan ik dat allemaal niet meer betalen.”

In elke conversatie die ze had, noemde ze Charles zijn naam. Het was haar manier van denken aan hem, zonder dat het al te veel pijn deed. Ze dacht nooit zonder hem te kunnen leven, en al ademde ze nog, een groot deel van haar gedachten zou voor altijd van hem zijn. Daar mocht ze niet te veel in verdwalen, of ze vergat dat het leven haar ook nog nauw aan het hart lag.

De sneeuwman schoof de sjaal iets opzij om op zijn borst te schrijven. “Heb het altijd koud. Niks helpt.”

“Dat ken ik,” knikte Anna. “Maar weet je: het zit misschien in ons lichaam, maar niet in ons hart.”

“Ik heb geen hart,” schreef Sneeuwvlok. Dat was toch wat hem altijd was verteld.

De oude vrouw lachte zonder geluid. Er verschenen witte wolkjes uit haar mond, haar warme adem dansend omheen de koude lucht.

“Dan kan je toch niet leven?” zei ze. “Je moet de praatjes van de mensen niet geloven.”

Sneeuwvlok had ook geen idee hoe het kon. Dat hij zo anders was en toch ook weer niet. Dat hij wou wat iedereen wou, of het nu mensen, sneeuwmannen, of dieren waren: de warmte voelen. Nabijheid.

“Ben blij. Eerste Kerstavond binnen.” schreef hij terwijl de oude vrouw hem nu ook een hoed opzette. Hij keek begeesterd naar de kaarsen die ze net had aangestoken. Nu konden ze elkaar veel beter zien.

Anna wou zeggen dat ook zij blij was. Dat het ironisch was dat ze eerst kou moest lijden voor er iemand langskwam. Maar het was net door die kou dat de sneeuwman hier kon zijn. “Dat heeft het leven weer mooi geregeld,” zou Charles gezegd hebben. Zijn snor en glimlach platgestreken, als een echte filosoof.

“Het is misschien niet wat je had verwacht,” zei Anna. De woorden dreven op een zucht.

“Ik heb geen kalkoen in huis. En geen hout voor het vuur. En toen ik de chocomelk wou opwarmen, bleek het gas ook al afgesloten. Vandalen zijn het, die van de maatschappij. Charles zei dat ook altijd.”

De sneeuwman keek even bedenkelijk, wat een wonder was zo zonder wenkbrauwen. Toen schreef hij “Charles” op zijn borst. Hij wees naar de hoed, de sjaal en toen naar zichzelf.

Er zaten tranen in Anna’s ogen. In twee seconden tijd kon ze de hele oceaan opvullen, zo was het altijd al met haar tranen geweest.

Sneeuwvlok giechelde terwijl de oude vrouw het borstelige gedeelte van een gordijnkoord onder zijn neus plakte. Nu had hij een bruine snor.

“Zo lijk je er meer op,” hoorde hij haar zeggen. Hij keek naar haar tranen, en vroeg zich af hoe het kon dat mensen nooit helemaal wegsmolten, hoeveel verdriet ze ook hadden.

In het licht van de kaarsen zag de vrouw er jonger uit, volmaakter, of misschien kwam dat omdat ze aan Charles dacht. Liefde had uiteindelijk niks met leeftijd of uiterlijk te maken. En omgekeerd.

Sneeuwvlok wist niet dat hij het kon, iemand gelukkig maken.

Anna wist niet dat het kon, nog eens gelukkig zijn.

Terwijl de wereld de kilte vervloekte, had zij er haar mooiste moment in jaren in gevonden. Het was het beste bewijs dat het leven zich bewoog richting de manier waarop je haar  begreep.

Ze vertelde over Charles. En daarna vertelde de sneeuwman over de platanen en de plaats waar sneeuwmannen heen gaan wanneer het geen winter meer is. Je kon het vergelijken met een winterslaap bij de dieren, of een tijdelijke opslagplaats voor je meubels wanneer je verhuist. Het voelde een beetje als de plaats waar Anna al die jaren sinds Charles’ dood had verbleven. Ergens waar je niet helemaal jezelf kunt zijn.

“Blijf maar hier,” zei ze na een korte pauze in hun verhalenstroom.

Sneeuwvlok kreeg een plaats naast de haard – die zou toch nooit branden, dus gevaarlijk was het niet. Het was misschien niet idyllisch, maar voor hem voelde het perfect. De warmte waar hij zo hard op zoek naar was, zat niet in het vuur van houtblokken, dat besefte hij nu. Het zat in de ogen van iemand die samen met jou wou uitzoeken wat het nu weer betekende om niet meer alleen te zijn.

Terwijl de oude vrouw in slaap dommelde in de kleine, rode sofa tegenover hem, bedacht hij dat haar naam niet wist. Met een paar snelle bewegingen schreef hij iets op zijn borst, een boodschap voor morgenvroeg. De naam van Charles liet hij staan. Toen sloot ook hij zijn ogen, gemaakt van plooibaar vilt.

“Goeiemorgen. Hoe heet jij?” stond er op de borst van de slapende sneeuwman geschreven, die nu langzaam op en neer ging, simultaan met de ademhaling van Anna.

Morgenvroeg zouden ze weer praten. Morgenvroeg zouden ze weer wakker worden. Misschien wel voor echt deze keer, in een nieuwe wereld, met nieuwe kansen, en een nieuw samenzijn.

Advertisements