Een nieuwe ochtend.

“Voel jij je soms anders?” vroeg hij. “Anders dan iedereen?”

Ik streek mijn lokken achter mijn oren. Het kriebelde een beetje, op een vervelende maar ook aangename manier, zoals dat gevoel wanneer je voor het eerst beseft dat je verliefd bent.

“Niet als ik alleen ben. Dan ben ik gewoon… ik weet het niet, dan ben ik gewoon wie ik ben,” zei ik. Het is soms moeilijk om een gevoel te verwoorden. Wanneer ik alleen ben voel ik… rust. En soms, met de juiste mensen om me heen, is die rust er ook. Maar meestal niet. Meestal is het de ogen neergeslagen houden, uit angst om niet de afwijzing in iemands ogen of lichaamstaal te vermoeden.

“We zijn niet gemaakt om alleen te zijn. De mens, bedoel ik. We zijn een bende kuddedieren,” hij zei het hard, maar ook weer zacht, alsof het hem verwarde.

“Kuddedieren,” lachte ik. “Tot er iemand in een greppel sukkelt. Dan laten ze je gewoon achter.”

“Niet iedereen,” deze keer zei hij het alleen maar zacht.

“Wel wanneer ze bang zijn voor de greppel,” zei ik streng. Daarna lachte ik weer. Dat was dan weer typisch voor ons, dat praten in vergelijkingen.

We keken samen naar het televisietoestel dat we net aan diggelen hadden geslagen.

“Is de wereld echt om zeep?” vroeg hij. Hij leek wel een kind van vijf, vol vragen, maar tegelijk was hij de grootvader die het kind vasthield, vol voorzichtigheid over de waarheid.

Ik schudde mijn hoofd. “Ik denk dat we een nieuwe televisie moeten kopen.”

“Ik wil het niet meer zien,” zei hij. Bij wijze van bevestiging gaf hij een trap tegen het verbrijzelde scherm.

Mijn hand zocht de zijne en ik drukte een kus op net boven de knokkel aan zijn ringvinger. Mijn favoriete plekje milde huid, waar ik ooit een ring zou achterlaten.

“De wereld is niet de greppel,” zei ik opeens. Ik wist niet goed wat ik ermee bedoelde, en moest even nadenken over wat ik net had gezegd. Soms kwam wijsheid naar boven nog voor ons verstand goed besefte van waar het kwam.

“Dat zijn wij,” zei ik. “Waarom hebben we die tv net op de grond gegooid?”

“Omdat we het nieuws niet meer wilden zien,” hij haalde de schouders op. “De vieze, vuile wereld.”

“Niet de wereld,” ik schudde mijn hoofd. “De mensen. De mensen die de greppel graafden en erin gingen liggen. Zij zijn de greppel geworden. Ik bedoel, denk er eens over na… Het zijn niet de ochtenden, of de zon, of de bomen, of de zee die we niet meer kunnen uitstaan.”

Hij keek me lang aan. Er zat iets teleurgesteld in zijn ogen. “Dan wil ik liever anders zijn, als dat het lot van de mensen is.”

“Niet van alle mensen,” zei ik. “Niet van iedereen.”

Hij glimlachte omdat ik zijn woorden de mijne had gemaakt.

Ik stond op en schraapte met mijn voet de kapotte onderdelen van de televisie op een hoopje. “Zelfs als ze zoveel dingen kapot hebben gemaakt. Iedereen krijgt een nieuwe ochtend van de wereld aangeboden. Gek, toch?”

“Gek mooi.” Hij stond op en sloeg zijn armen om m’n middel.

“Jij bent echt anders, op de best mogelijke manier.” Hij kuste me warm in m’n nek. Ik geloof dat ik daarom begon te huilen, omdat ik zoveel rust voelde na de verwoesting, net alsof ik helemaal alleen was, maar juist ook niet.

“Zou het kunnen, dat we de wereld kunnen veranderen?” vroeg hij.

“Niet de wereld. Wel de mensen. De richting van de kudde.” Ik veegde mijn tranen af aan mijn mouw en glimlachte naar hem. “En we beginnen hier, met jou en mij.”

Hij kuste me vol op de lippen, alsof hij m’n woorden eraf wilde plukken.

“We moeten een nieuwe tv kopen, hé?” vroeg hij met een lachje.

Ik knikte. “We moeten blijven kijken naar de wereld. Eruit leren.”

Hij vleide zijn voorhoofd tegen dat van mij. “Samen.” En ik knikte weer. “Samen.”

Advertisements