Maar bij ons was het liefde.

“Maar bij ons was het liefde,” zegt hij met het gewone timbre van zijn stem.

En dat verraadt hem. Niets valt meer op dan het beven van de stembanden bij iemand die bang is voor wat hij zegt, het dalen van het volume bij het verkondigen van slecht nieuws, of de lichte toonverhoging bij leugenaars. Maar hij klinkt zoals altijd. En net daarom weet ik dat hij de zin al te vaak heeft uitgesproken. Het is zijn handelsmerk geworden, de liefde als excuus. Misschien gelooft hij het zelfs. Dat het altijd weer de liefde is die hem tot waanzin drijft. Misschien kan hij zo nog met zichzelf leven. Maar bij mij smaken de klanken van zijn woorden wrang. Het is vreemd hoe mijn zintuigen ineens in elkaar overvloeien. Alsof mijn lichaam niet meer weet hoe het precies in elkaar zit.

Mijn schouders vallen iets voorover, en ik besef dat het net zo is, dit lichaam dat zich niet meer kan ontspannen, niet meer zichzelf kan zijn, omdat hij het uit elkaar haalde en me niet vertelde hoe ik het terug in elkaar moet laten passen.

Hij plaatst zijn rechterhand op de muur achter me, en sluit me zo in met zijn ene arm. Het hoekje waarin ik me had teruggetrokken, voelt nu nog kleiner aan. Ik kijk over zijn schouder, naar de gasten op het feestje, sommige elegant, anderen dronken, of een combinatie van de twee. Mensen zijn nooit in één woord te beschrijven. Net dat maakt ze zo moeilijk om te begrijpen. Misschien daarom dat we in hokjes proberen denken. Om grip te krijgen op wat we eigenlijk nooit helemaal kunnen weten.

Ik merk dat ik hetzelfde doe. Mijn blik blijft op de jonge vrouwen rusten. Ik vraag me af of zij dezelfde zin ook al uit zijn mond hoorden. Of ze zich toen ook zo klein voelden, of eerder getroost. Ik vraag me af of ze zien dat hij nu bij mij staat, en wat ze denken, en of zij straks misschien ook aan de beurt zijn.

“Het is jaren geleden dat ik nog zo’n mooie ogen heb gezien,” zegt hij nu iets zachter. Zijn vinger glijdt even kort over het geboortevlekje op mijn wang. Een gebaar van tederheid, van “ik ken jou en alle speciale plekjes die jou vormen”. Het zorgt ervoor dat ik zijn woorden wil geloven.

Ik wil de mooiste ogen hebben van alle vrouwen die hij ooit al aankeek net voor hij hen kuste. Ik wil dat hij al jaren in lege ogen staart, maar dat die van mij hem opnieuw tot leven brengen. Ik wil zo graag dat het liefde was, dat het liefde is, zoals hij zei. Maar bestaat dat wel, dingen doen tegen je wil wanneer je van iemand houdt? Ik ben er altijd van overtuigd geweest dat dat zo is, net zoals de vele romans onderaan mijn nachtkastje. Maar is liefde niet vertrouwen, en betekent vertrouwen niet dat je je grenzen durft aangeven?

Als er al liefde was, betekent het dat wij de pijnlijke variant ervan hebben bedreven? En mag hij het dan nog liefde noemen, of vervormt hij het gruwelijke van zijn lichaam op het mijne tot een onwaar maar zeemzoet woord?

Zijn lippen bewegen ondertussen dicht bij die van mij. Hij zegt nog een aantal dingen. Over de nieuwe kansen die hij me zal geven in mijn carrière. Hij en ik, zij aan zij, een wonderkoppel, powerteam, voorlopig nog in het geheim. Over zijn plannen om eindelijk weg te gaan bij zijn vrouw. De vrouw die alles en niets weet. Hij heeft het over alles behalve datgene wat ik zo graag wil weten. Is het wel liefde wanneer het pijn doet?

Hij drukt zijn lippen in mijn hals. Ik heb het liever zo, de stilte is welkom, al wil ik het liefst naar huis gaan, nu meteen. Ik durf nu niet meer kijken naar de feestvierders om ons heen. Vinden ze me zwak? Of zijn ze afgunstig? Ben ik een carrièrevrouw, of een dom wicht? Ben ik de femme fatale, of heb ik als vrouw verloren? Ik wil niet meer raden naar wat ze denken. Ik wil alleen maar dit weten: is het wel liefde wanneer het pijn doet?

Er blijft een nat plekje over in mijn hals. Het schuim van bier en opwinding dat net nog aan zijn mond kleefde. Het voelt plakkerig, alsof het daar voor altijd wil blijven zitten, als een schandvlek.

Eén van onze collega’s komt voorbij, haar wenkbrauw en haar biertje in de lucht. “Alles oké hier?” Ik wil “nee” zeggen, maar het voelt als een hol woord nu ik het al zo ver heb laten komen. Verliefd op de kansen die niet kwamen, en op de man die niet bleek te bestaan. Terwijl ik haar met een geforceerde glimlach toeknik, maakt hij zich uit de voeten. Zijn glas en zin in gevlei zijn beide uitgeput.

“Je weet toch dat hij het met alle meisjes doet,” zegt de vrouw die schuin tegenover mijn bureau zit op het werk. Haar wenkbrauw valt nog altijd niet in zijn plooi. Het is bijna dezelfde zin waarmee ik hem daarnet confronteerde. “Maar bij ons was het liefde,” wil ik antwoorden. “Nu gebeurt het niet meer. Nu sta ik sterk in mijn schoenen,” is ook een kanshebber. Maar ik kijk haar alleen maar vragend aan.

“Is het liefde wanneer het pijn doet?” vraag ik.

Advertisements